Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. politie
    overheidsdienst belast met het toezicht op de openbare orde en veiligheid en met het opsporen van wetsovertreders; alle politiediensten samen; politiekorps; overheidsdienst belast met het toezicht op de openbare orde en veiligheid en met het opsporen van wetsovertreders
    Synoniemen: hermandad, kit, politie-apparaat, politieapparaat, politiemacht, prinsemarij, wet
  2. politie (de ~)
    ambtenaar van de politie
    "de politie waarschuwen"
    Synoniemen: politieagent, agent, bout, diender, flic, gerechtsdienaar, glimmerik, juut, klabak, politieambtenaar, politiebeambte, rakker, sjouter, smeris, tuut, wout, flik, pandoer

Voorbeeldzinnen

  1. Waar was de politie?
  2. Arresteerde de politie Tom?
  3. Zal de politie komen?
  4. Hij meldde zijn ongeval bij de politie.
  5. Ik ga jou aangeven bij de politie.
  6. De politie heeft het gebouw omsingeld.
  7. De politie verdenkt hem van bankroof.
  8. Ik wil de politie niet bellen.
  9. De politie vermoedt dat hij loog.
  10. De politie doet onderzoek naar de moord.