Betekenis van:
plotseling

plotseling
Bijwoord
  • snel en onverwacht
"Plotseling werden we aangevallen door een groep jongeren."
plotseling
Bijvoeglijk naamwoord
  • snel en onverwacht
"De plotselinge voetganger werd bijna door de auto geraakt."
plotseling
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet verwacht of voorzien
"een plotselinge lichtflits"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. De temperatuur daalde plotseling.
  2. Haar gezicht werd plotseling rood.
  3. Hij stopte plotseling met praten.
  4. Plotseling gebeurde er iets onverwachts.
  5. Plotseling ging het brandalarm af.
  6. Plotseling verschenen er drie honden voor ons.
  7. Ze gaf me plotseling een kus.
  8. Ze gaf me plotseling een kus.
  9. Plotseling voelde ze zich zeer klein, waardeloos en ellendig.
  10. Plotseling was ik genoodzaakt een gedrag aan te nemen dat mijn leven voorgoed zou veranderen.
  11. Plotseling herinnerde ik me dat ik zoveel boeken niet kon betalen.
  12. plotseling bewustzijnsverlies;
  13. Reageren op plotseling opkomende en onvoorziene beleidsbehoeften
  14. Constant of plotseling lawaai moet worden vermeden.
  15. Eventueel aanwezige bagageruimten moeten zo zijn ontworpen dat de bagage er bij plotseling remmen niet uitvalt.