Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. pissig
    razend; woedend; hoog opschietend; erg kwaad; giftig; heel boos; woedend; furieus; woedend; erg kwaad; erg kwaad; witgloeiend
    "pissig zijn over iets"
    Synoniemen: woedend, bloedlink, duivels, fulminant, furieus, laaiend, pisnijdig, rabiaat, rebels, spinnijdig, ziedend, razend, woest, giftig, hels, witheet
  2. pissig
    in een slechte, verstoorde gemoedstoestand
    "Hij werd er alleen maar pissiger door."