Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. pijn (de ~ | meervoud pijnen)
    lichamelijk lijden
    "klagen over pijn in [de nek]"
    Synoniemen: zeer
  2. pijn (de ~)
    gevoel van droefheid
    "met veel pijn en moeite"
    Synoniemen: verdriet, bedroefdheid, droefenis, droefheid, kommer, smart, triestheid, treurigheid, treurnis, wee
  3. pijn
    lichamelijk leed, veroorzaakt door ziekte of verwonding
    "De pijn bevindt zich in de streek rond de kuit."
  4. pijn
    geestelijk leed
    "De pijn om haar overleden echtgenoot bleef nog lang in haar ronddwalen."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. pijn is een vervoeging van pijnen

Voorbeeldzinnen

  1. Waar hebt ge pijn?
  2. Mijn buik doet pijn.
  3. De pijn was ondraaglijk.
  4. Waar doet het pijn?
  5. Het doet geen pijn.
  6. Mijn hart doet pijn.
  7. Mijn voeten doen pijn.
  8. Mijn hoofd doet echt pijn.
  9. Doe me alsjeblieft geen pijn.
  10. Mijn arm doet vreselijk pijn.