Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. pijler
    datgene waarop iets berust
    Synoniemen: fundament, grond, hoeksteen, initia, basis, voet, substantie, grondslag, ondergrond
  2. pijler (de ~ | meervoud pijlers)
    zuil als ondersteuning v.e. brug, balk; ondersteunende pilaar
    "de pijlers van een brug"
    Synoniemen: schraagpijler, steunpilaar
  3. pijler
    zuil, pilaar
    "Dat zijn de pijlers waarop de brug komt te rusten."

Voorbeeldzinnen

  1. De eerste pijler van dit plan behelst een grootschalige reorganisatie en vermindering van het aantal werknemers.
  2. Zorgen voor financiële duurzaamheid van de eerste pijler van het pensioenstelsel door gepaste parametrische hervormingen.
  3. tot vaststelling van de netwerkvereisten voor het Schengeninformatiesysteem II (eerste pijler)
  4. tot vaststelling van de netwerkvereisten voor het Schengeninformatiesysteem II (derde pijler)
  5. Een kopie van de informatie uit Pijler 3 (marktdiscipline) die de tegenpartij regelmatig moet bekendmaken in overeenstemming met de vereisten inzake marktdiscipline uit hoofde van Pijler 3 van Bazel II en de Richtlijn kapitaalvereisten.
  6. Deze regels worden uitgelegd door de rechtspraak van het EVA-Hof binnen de „EVA-pijler” en door het Europees Hof van Justitie en het Europees Gerecht van eerste aanleg binnen de „communautaire pijler”.
  7. In Frankrijk is het verplicht te voorzien in een bedrijfspensioenregeling („pijler 2”). De financiering geschiedt op basis van een omslagstelsel.
  8. Wat er in de DVK is gebeurd, heeft nogmaals het belang aangetoond van inspecties ter plaatse als cruciale pijler van de CTBT-verificatieregeling.
  9. Wat de markt voor motors voor autostoelen betreft, de tweede pijler van het diversificatieproject van Euromoteurs, zit nog geen enkele van de onderhandelingen in een vergevorderd stadium.
  10. De tweede pijler van het herstructureringsplan is een investeringsprogramma, dat is gericht op de vervanging van oude en verouderde uitrusting door nieuwe, moderne technologie.