Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. passend
    netjes, fatsoenlijk; fatsoenlijk; zoals het hoort; zoals het hoort
    "zich passend gedragen"
    Synoniemen: gepast, comme il faut, decent, voegzaam, welvoeglijk, correct
  2. passend
    geschikt
    "een passend antwoord"
    Synoniemen: convenabel, conveniënt, welgekozen

Voorbeeldzinnen

  1. Passend machinegebruik
  2. Passend instrument (159)
  3. waar passend, de geplande investeringen,
  4. Fokdieren, legkippen, enz., waar passend.
  5. Waar passend met voorafgaande sedatie.
  6. passend minimumrendement van een risicodragende investering
  7. Soortspecifieke omgangsmethoden en procedures, indien passend.
  8. Er moet een passend modelcertificaat worden vastgesteld.
  9. De steun is een passend instrument
  10. De inspecteurs ontvangen een passend identificatiemiddel.