Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. pakje (het ~ | meervoud pakjes)
    samenhorend geheel van rok en jasje; tweedelig pakje voor vrouwen; dameskostuum
    "een pakje dragen"
    Synoniemen: mantelpak, complet, deux-pi├Ęces
  2. pakje (het ~ | meervoud pakjes)
    verpakt geschenk
    "zal ik er een pakje van maken?"
  3. pakje (het ~ | meervoud pakjes)
    houder voor al dan niet vloeibare inhoud; verpakking met inhoud
    "een pakje [shag/sigaretten/lucifers/boter/thee]"
    Synoniemen: pak