Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. pak
    Iemand die wordt ingehuurd om bagage te dragen
    Synoniemen: pakket
  2. pak (het ~ | meervoud pakken)
    klein pak dat per post verzonden wordt
    "een pak geld"
    Synoniemen: pakket
  3. pak (het ~ | meervoud pakken)
    houder voor al dan niet vloeibare inhoud; verpakking met inhoud
    "een pak [melk/koekjes/suiker]"
    Synoniemen: pakje
  4. pak (het ~)
    grote groep wielrenners of hardlopers; peloton wielrenners
    "al bij de eerste col werden de vroege vluchters weer door het pak opgeslokt/ingelopen"
    Synoniemen: peloton
  5. pak (het ~ | meervoud pakken)
    grote hoeveelheid
    "een pak sneeuw"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, smak, bom, bulk, sjees, boel
  6. pak (het ~ | meervoud pakken)
    kostuum
    "een pak dragen"
  7. pak
    verpakt voorwerp
    "Er kwam met Kerst een groot pak met de post."
  8. pak
    een ruime hoeveelheid van iets
    "Er viel een groot pak sneeuw."
  9. pak
    een kledingcombinatie bestaande uit tenminste een jasje en een broek of rok
    "Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak."
  10. pak
    een groep wolven
    "Een pak wolven had het voorzien op een kudde schapen."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. pak is een vervoeging van pakken

Voorbeeldzinnen

  1. Pak 'm.
  2. Mooi pak.
  3. Mijn pak is grijs.
  4. Mijn pak is grijs.
  5. Pak die kat niet op.
  6. Wil je een pak rammel?
  7. Pak een boek en lees het!
  8. Je schoenen passen niet bij dat pak.
  9. Je stropdas past bij je pak.
  10. Je schoenen passen niet bij dat pak.