Betekenis

Werkwoord

  1. opstapelen
    ophopen; opstapelen; opstapelen; stapels maken; opstapelen; stapelen
    "kisten opstapelen"
    Synoniemen: opeenstapelen, optassen, stapelen, hopen, ophopen
  2. opstapelen
    tot een stapel aangroeien
    "de problemen/klachten stapelen zich op"
    Synoniemen: vermenigvuldigen, ophopen

Voorbeeldzinnen

  1. De geaccumuleerde verliezen en de hoge waarschijnlijkheid dat de bedrijfsverliezen zich in het jaar 2003 zouden blijven opstapelen, leidden tot de conclusie dat de mogelijkheid om de productie van het bedrijf voort te zetten, onzeker was.
  2. Het is overal in het milieu aanwezig en in de vorm van methylkwik kan het zich in organismen opstapelen en zich in het bijzonder concentreren in organismen die zich hoger in de voedselketen bevinden.
  3. Om verstikking te voorkomen, moeten de verzorgers in de gebruiksaanwijzing worden gewezen op de risico’s van het opstapelen van twee of meer matrassen om het kind meer comfort te bieden.
  4. In de herstructureringsmededeling wordt uiteengezet dat concurrentiedistorsies kunnen ontstaan wanneer bepaalde banken op de merites van hun producten en diensten concurreren, terwijl andere banken buitensporige risico’s opstapelen en/of van onhoudbare businessmodellen uitgaan.