Betekenis

Werkwoord

  1. oprotten
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "ach, rot toch op!"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, nokken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, gaan, heengaan, weggaan, opstappen
  2. oprotten
    vertrekken
    "Rot op, ik wil je niet meer zien!"