Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. opmerkelijk
    treffend; treffend; opvallend
    "een opmerkelijke prestatie"
    Synoniemen: opvallend, frappant, opmerkenswaard, opmerkenswaardig, prominent, remarquabel
  2. opmerkelijk
    bijzonder genoeg om opgemerkt te worden
    "Is dat echt zoiets opmerkelijks?"

Voorbeeldzinnen

  1. De recente vooruitgang in de geneeskunde is opmerkelijk.
  2. Opmerkelijk door haar blanke onschuld
  3. De prijsdaling was vooral opmerkelijk van 2002 op 2003.
  4. De stijging van de invoer was vooral opmerkelijk tussen 2002 en 2003 (51 %).
  5. Meest opmerkelijk was dat de privatisering van de onderneming was geschied voor een prijs die beneden de marktwaarde lag.
  6. Voor sommige gebruikers kan een stijging van de kosten voor de aankoop van Chinese glasvezels een opmerkelijk kosteneffect hebben.
  7. Ook opmerkelijk is dat het marktaandeel van de invoer met dumping uit de VRC zelfs tijdens het OT bleef toenemen.
  8. Opmerkelijk was dat de situatie waarin de EG-bedrijfstak verliezen maakte, voortvloeide uit de moeilijkheden die deze bedrijfstak ondervond in verband met de concurrentie met de onbillijk laaggeprijsde invoer met dumping.
  9. Het handelspatroon van deze onderneming liet een opmerkelijk verschil zien ten opzichte van de andere producenten: zij heeft haar aandeel in de uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap van 2000 tot en met 2003 (het onderzoektijdvak) namelijk sterk vergroot.
  10. Opmerkelijk is dat de resultaatverbetering van de hubs in 2007 (lichtelijk) wordt afgeremd door de bouw van de nieuwe hub […] en een in overleg met de SNCF ontwikkeld systeem van pendeltreinen, waarvan de vaste ontwikkelingskosten worden afgeschreven over het jaar 2007.