Betekenis

Werkwoord

  1. opdonderen
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "zeggen dat ze moeten opdonderen"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, nokken, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, gaan, heengaan, weggaan, opstappen
  2. opdonderen
    heel snel weggaan
    "Wil je wel eens snel van mijn erf opdonderen!"