Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. onvoorwaardelijk
    rechtstreeks
    Synoniemen: regelrecht, absoluut, onvermengd, volstrekt, zuiver, puur
  2. onvoorwaardelijk
    niet voorwaardelijk; ronduit
    "onvoorwaardelijke overgave"
    Synoniemen: volmondig
  3. onvoorwaardelijk
    buitensporig; met grote gevolgen
    Synoniemen: verregaand, vergaand, absoluut, onvermengd, volstrekt, zuiver, puur
  4. onvoorwaardelijk
    driedubbel; drievoudig; driema(a)l(ig)
    Synoniemen: drievoudig, driedubbel, drievuldig, driewerf, triple, absoluut, onvermengd, volstrekt, zuiver, puur
  5. onvoorwaardelijk
    op-en-top; echt
    Synoniemen: rasecht, volbloed, pur sang, absoluut, onvermengd, volstrekt, zuiver, puur

Voorbeeldzinnen

  1. „onvoorwaardelijk worden
  2. Onbenut, onvoorwaardelijk krediet verschaft door:
  3. Onbenut, onvoorwaardelijk krediet verstrekt aan:
  4. de pandgeving of overdracht is onvoorwaardelijk en onherroepelijk.
  5. De voorwaarden waartoe Polen zich onvoorwaardelijk heeft verbonden, zijn als volgt.
  6. 9 Een onvoorwaardelijk verbod kan absoluut zijn, in die zin dat elke aflossing verboden is.
  7. In Bijlage A worden de definities van „onvoorwaardelijk worden” en „vesting conditions” als volgt gewijzigd.
  8. Aandelen worden pas onvoorwaardelijk ten vroegste drie jaar na de toekenning ervan.
  9. In de eerste plaats benadrukt Ford dat de aanbesteding open, transparant, niet-discriminatoir en onvoorwaardelijk was.
  10. Het verbod in artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag is niet onvoorwaardelijk.