Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. onverwacht
    niet verwacht of voorzien
    "een onverwachte meevaller"
    Synoniemen: abrupt, onverhoeds, onverhoopt, onvermoed, onvoorzien, onwaarschijnlijk, plots, plotseling, subiet, verrassend
  2. onverwacht
    niet van tevoren zien aankomen
    "Door een onverwacht overlijden van mijn moeder kon ik niet naar de voetbalwedstrijd."

Voorbeeldzinnen

  1. Dat is nogal onverwacht.
  2. Ik was blij met haar onverwacht bezoek.
  3. de machine mag zich niet onverwacht in werking stellen,
  4. Onverwacht contact met kwetsbare mariene ecosystemen in nieuwe bodemvisserijgebieden
  5. Onverwacht contact met kwetsbare mariene ecosystemen in bestaande bodemvisserijgebieden
  6. De levering van een goed of de verlening van een dienst wordt onverwacht stopgezet.
  7. Kerntechnisch materiaal dat onverwacht wordt aangetroffen, behalve tijdens het opstellen van de feitelijke inventaris.
  8. een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;
  9. De kerncentrales van BE zijn onverwacht een aanzienlijk aantal keren uitgevallen
  10. het onverwacht langzaam terugkeren van de spaardeposito’s en klantenrekeningen die tijdens de „bank-run” verloren waren gegaan;