Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. ondeugd (de ~ | meervoud ondeugden)
    moreel slechte hoedanigheid
    "de ondeugd!"
    Synoniemen: feil, tekort, tekortkoming, zwakte, fout, zwakheid, zwak
  2. ondeugd (de ~ | meervoud ondeugden)
    ondeugend persoon; deugniet; deugniet; ondeugd; ondeugend kind; ondeugend iemand; ondeugend iemand; deugniet; sympathiek maar guitig iemand; ondeugend iemand; stout iemand; ondeugende jongen; lastig kind; gecastreerde haan; slechte zede; gemene kerel; ondeugende jongen; deugniet
    "deugd en ondeugd"
    Synoniemen: deugniet, aap, apekop, apenkop, bengel, boef, doerak, dondersteen, donderstraal, lorejas, nietdeug, rakker, rekel, schavuit, schobbejak, stouterd, stouterik, vlegel, blaag, kapoen
  3. ondeugd
    slechte gewoonte of handeling
    "Een gat in de hand is een ondeugd waar velen mee worstelen."
  4. ondeugd
    iemand -vaak een jonge persoon- die kattekwaad uithaalt
    "Die ondeugd heeft het wachtwoord van m'n PC gewijzigd!"