Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. onafhankelijk
    los van de rest, op zichzelf staand
    "onafhankelijk van de rest van het gebouw"
    Synoniemen: apart, afzonderlijk, alleenstaand, separaat, los, gescheiden
  2. onafhankelijk
    zelfstandig
    "dit effect is onafhankelijk van de afstand"
  3. onafhankelijk
    op zichzelf staand
    "de onafhankelijke rechter"
    Synoniemen: zelfstandig, autonoom, soeverein
  4. onafhankelijk
    geen verbinding hebbend met
    "De linker en rechter vering is onafhankelijk van elkaar te verstellen."

Voorbeeldzinnen

  1. Mexico was toen nog niet onafhankelijk van Spanje.
  2. Onafhankelijk controlesysteem
  3. Zij handelen onafhankelijk.
  4. een onafhankelijk laboratorium zijn;
  5. Getrokken massa met onafhankelijk remsysteem: …
  6. Onafhankelijk onderzoek van het businessplan
  7. onafhankelijk zijn van marktbelangen, en
  8. volledig onafhankelijk op te treden,
  9. Onafhankelijk transactielogboek van de Gemeenschap
  10. De Wetenschappelijke Raad functioneert autonoom en onafhankelijk.