Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. nuchter
    niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
    "Nu hij weer nuchter was, bleek hij een heel redelijk mens."
  2. nuchter
    geen ontbijt genuttigd hebbend
    "Hij moest die medicijnen op nuchtere maag inslikken."
  3. nuchter
    niet snel tot emotionaliteit geneigd
    "Hij stond bekend om zijn nuchtere kijk."