Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. nuchter
    niet dronken
    "de chauffeur beweerde dat hij nuchter was toen het ongeluk gebeurde"
  2. nuchter
    niet gegeten of gedronken hebbend
    "op de nuchtere maag"
  3. nuchter
    verstandig, zakelijk
    "een nuchtere opmerking"
    Synoniemen: pragmatisch, praktisch, prozaïsch, koel, realistisch, reëel, zakelijk
  4. nuchter
    mbt. de of een universiteit; universitair; mbt. wetenschap
    Synoniemen: universitair, academisch, wetenschappelijk, koel, zakelijk
  5. nuchter
    zich niet in de praktijk voordoend
    Synoniemen: theoretisch, papieren, academisch, koel, zakelijk
  6. nuchter
    slaafs
    Synoniemen: schools, koel, zakelijk
  7. nuchter
    niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
    "Nu hij weer nuchter was, bleek hij een heel redelijk mens."
  8. nuchter
    geen ontbijt genuttigd hebbend
    "Hij moest die medicijnen op nuchtere maag inslikken."
  9. nuchter
    niet snel tot emotionaliteit geneigd
    "Hij stond bekend om zijn nuchtere kijk."