Betekenis

Werkwoord

  1. nokken
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "nokken met dat gedoe!"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, gaan, heengaan, weggaan, opstappen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. nokken is een vervoeging van afnokken

Voorbeeldzinnen

  1. Overbrengings-, nokken- en krukassen
  2. „loopvlakgroef”: de ruimte tussen twee aangrenzende ribben of nokken van het loopvlakpatroon [2] Zie verklarende figuur.
  3. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken.
  4. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken.
  5. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken.
  6. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken.
  7. „loopvlakgroef”, de ruimte tussen twee aangrenzende ribben of nokken van het loopvlakpatroon;
  8. De slijtage-indicatoren mogen niet kunnen worden verward met de materiaaloverbruggingen tussen de ribben of de nokken van het loopvlak.
  9. „loopvlakgroef”: de ruimte tussen twee aangrenzende ribben en/of nokken van het loopvlakpatroon [2] Zie verklarende figuur.
  10. De slijtage-indicatoren mogen niet kunnen worden verward met de rubberen ribbels tussen de ribben of nokken van het loopvlak.