Betekenis

Werkwoord

  1. nemen
    wegnemen
    "de zee geeft en de zee neemt"
    Synoniemen: weghalen, wegdoen, wegnemen, verwijderen
  2. nemen
    zich erin schikken het genoemde te ondergaan
    "iemand nemen zoals hij is"
    Synoniemen: pikken, vreten, aanvaarden, accepteren, slikken
  3. nemen
    (voedsel, drank) tot zich nemen
    "patat met kip en appelmoes nemen"
    Synoniemen: nuttigen, ontfermen, gebruiken, consumeren
  4. nemen
    gebruiken voor een doel; gebruiken; gebruiken; benutten; gebruik maken van; hanteren
    "de benen nemen"
    Synoniemen: aanwenden, bezigen, gebruiken, pakken, toepassen
  5. nemen
    (van mannen) geslachtsgemeenschap hebben met, seksueel gebruiken
    "een vrouw nemen"
    Synoniemen: bekennen, pakken
  6. nemen
    iets vastpakken met de handen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. nemen is een vervoeging van aannemen
  2. nemen is een vervoeging van afnemen
  3. nemen is een vervoeging van beetnemen
  4. nemen is een vervoeging van bijnemen
  5. nemen is een vervoeging van deelnemen
  6. nemen is een vervoeging van doornemen
  7. nemen is een vervoeging van gevangennemen
  8. nemen is een vervoeging van innemen
  9. nemen is een vervoeging van kennisnemen
  10. nemen is een vervoeging van losnemen
  11. nemen is een vervoeging van meenemen
  12. nemen is een vervoeging van opnemen
  13. nemen is een vervoeging van overnemen
  14. nemen is een vervoeging van plaatsnemen
  15. nemen is een vervoeging van samennemen
  16. nemen is een vervoeging van terugnemen
  17. nemen is een vervoeging van toenemen
  18. nemen is een vervoeging van uiteennemen
  19. nemen is een vervoeging van uitnemen
  20. nemen is een vervoeging van vastnemen
  21. nemen is een vervoeging van voornemen
  22. nemen is een vervoeging van waarnemen
  23. nemen is een vervoeging van wegnemen

Voorbeeldzinnen

  1. Welke krant nemen jullie?
  2. Geen foto's nemen alsjeblieft.
  3. Ik zal deze paraplu nemen.
  4. Ze nemen geen belangrijke beslissingen.
  5. Gedane zaken nemen geen keer.
  6. Jullie moeten bus 5 nemen.
  7. Welke trein gaat ge nemen?
  8. Laten we er één nemen.
  9. Zal ik de bus nemen?
  10. Laat ons een duikje nemen.