Betekenis

Werkwoord

  1. moven
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "even moven, jij!"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, nokken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, gaan, heengaan, weggaan, opstappen
  2. moven
    weggaan.
    "Ik heb nu genoeg van je, moven!"
  3. moven
    aan de kant gaan
    "Move es een end, dan kan ik er nog bij naast."