Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. misselijk
    misselijk; een beetje ziek; misselijk; ziek
    "alleen al van de geur misselijk worden"
    Synoniemen: onpasselijk, akelig, naar
  2. misselijk
    onaangenaam, hinderlijk
    "dat is een misselijke grap/opmerking!"
    Synoniemen: godgevloekt, klote, kloterig, kut, lullig, rottig, shit, verdomd, verduiveld, verduveld, vermaledijd, verrekt, verrot, vervloekt, verwenst, lam, verdraaid, ellendig, rot
  3. misselijk
    tot braken geneigd
    "Ik heb te veel kersen gegeten, waardoor ik misselijk ben."
  4. misselijk
    een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    "Wat een misselijke streek is dat!"

Voorbeeldzinnen

  1. Ik ben misselijk