Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. menigte
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, hoop, massa, schare, stapel, tas, troep
  2. menigte (de ~ | meervoud menigten, menigtes)
    grote drom mensen
    "een uitzinnige/joelende menigte"
    Synoniemen: drom, heer, heir, horde, leger, legerschaar, legioen, massa, mensenmassa, mensenmenigte, mensenzee, myriade, schare, stoet, volk, sleep, schaar, meute
  3. menigte
    een grote groep mensen dicht op elkaar
    "De menigte was op weg van het station naar het stadion."
  4. menigte
    een grote hoeveelheid

Voorbeeldzinnen

  1. Een menigte verzamelde zich in deze straat.
  2. De menigte wordt groter en groter.
  3. Ze ving een glimp van hem op terwijl hij door de menigte liep.