Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. massa
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, hoop, menigte, schare, stapel, tas, troep
  2. massa (de ~ | meervoud massa's)
    grote drom mensen
    "opgaan in de massa"
    Synoniemen: menigte, drom, heer, heir, horde, leger, legerschaar, legioen, mensenmassa, mensenmenigte, mensenzee, myriade, schare, stoet, volk, sleep, schaar, meute
  3. massa (de ~)
    omvang v.d. zwaartekracht van iets; gewicht; gewicht
    "de soortelijke massa"
    Synoniemen: gewicht, zwaarte
  4. massa (de ~ | meervoud massa's)
    vormeloze klont
    "een kleverige massa"
  5. massa (de ~ | meervoud massa's)
    grote hoeveelheid
    "'een massa'/massa's [boeken/kleren/fouten/..]"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  6. massa
    de totale hoeveelheid materie in een object, bepaald aan de hand van de graviteit of door de inertie van dat object

Voorbeeldzinnen

  1. Een wolk is een massa damp.
  2. Afwijkend van de grote massa
  3. De geest beweegt de massa
  4. Niets is wispelturiger dan de massa
  5. Beroep op het volk, beroep op de massa
  6. Massa: …
  7. massa %
  8. massa-%
  9. Massa
  10. Massa