Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. mager
    te klein, te weinig, onvoldoende; mager; weinig; slecht; schraal
    "een magere troost"
    Synoniemen: karig, pieterig, armetierig, schraal, magertjes, armzalig, miezerig
  2. mager
    schriel; mager
    "hij heeft een mager gezicht"
    Synoniemen: dun
  3. mager
    weinig vet bevattend
    "magere melk/kaas"
    Synoniemen: vetarm
  4. mager
    zeer dun met weinig vet

Voorbeeldzinnen

  1. Mijn zus is mager en ik ben aan de dikke kant.
  2. Mijn zus is mager en ik ben aan de dikke kant.
  3. het geschatte aandeel mager vlees (in percenten)
  4. het geschatte aandeel mager vlees (in percenten)
  5. geschat aandeel mager vlees (in percenten),
  6. het geschatte aandeel mager vlees (in percenten)
  7. geschatte mager-vleesaandeel van het geslachte varken,
  8. Y = 100 × gewicht van het mager vlees
  9. Ŷ het geschatte percentage mager vlees van het geslachte varken,
  10. Ŷ het geschatte aandeel mager vlees van het karkas,