Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. luid
    hard en helder; van geluid
    "onder luid protest"
    Synoniemen: hard
  2. luid
    veel lawaai producerend

Verwijzingen

Werkwoord

  1. luid is een vervoeging van luiden

Voorbeeldzinnen

  1. Het is te luid.
  2. Ze spreekt luid.
  3. De radio is te luid.
  4. Tijdens zijn slaap snurkte hij luid.
  5. Je mag hier niet zo luid spreken.
  6. Ik sprak luid, zodat iedereen me kon verstaan.
  7. Hij werd wakker door luid geklop op de deur.
  8. De radio staat te luid. Kunt ge hem niet wat stiller zetten?
  9. Geen chronische spraakgebreken (berichten moeten luid en duidelijk uitgewisseld kunnen worden).
  10. Geen chronische spraakgebreken (berichten moeten luid en duidelijk kunnen worden uitgewisseld).