Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. lomperd (de ~ | meervoud lomperds)
    zeer onbeleefd iemand; pummel; stommeling; lomperd; lomperik; pummel; onbeschoft persoon; botterik; onbeschoft iemand; onbeschaafd iemand; onbeschaafd iemand; iemand zonder manieren; lomperik; onbeschoft iemand; onhandig iemand
    Synoniemen: boerenhufter, boerenkaffer, boerenkarhengst, boerenkinkel, boerenlul, boerenpummel, botterik, grobbejanus, heikneuter, hork, hufter, kinkel, palurk, plebejer, plomperd, proleet, pummel, raudauwer, rouwdouw, rouwdouwer
  2. lomperd (de ~ | meervoud lomperds)
    knoeier
    Synoniemen: kluns, dreutel, duts, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, sukkel, amateur, hobbezak, knuppel
  3. lomperd
    een onhandig persoon
    "Ach, wat ben je toch een lomperd!"
  4. lomperd
    een grof en onbeleefd persoon
    "Ga toch weg, jij lomperd!"