Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. link (de ~ | meervoud linken, links)
    lid dat een verbinding vormt tussen een reeks van verschijnselen, werkingen enz.
    "een link met/naar [voetbal/'de actualiteit']"
    Synoniemen: schakel, tussenschakel
  2. link
    een betrekking of relatie
    "Kun jij wél een link leggen tussen die gebeurtenissen?"
  3. link
    een verwijzing
    "Klik op deze link om door te gaan."
  4. link
    een betrekking of relatie
    "Kun jij wél een link leggen tussen die gebeurtenissen?"
  5. link
    een verwijzing
    "Klik op deze link om door te gaan."

Bijvoeglijk naamwoord

  1. link
    (van zaken) gevaar met zich brengend
    "iets link vinden"
    Synoniemen: gevaarvol, onveilig, periculeus, gevaarlijk
  2. link
    listig, doortrapt
    "linke jongens"
    Synoniemen: sluw, arglistig, doortrapt, geslepen, leep, listig, slinks, geraffineerd, bijtend, doordringend, fel, guur, schel, scherp, schril, snerpend
  3. link
    gevaar opleverend
    "een linke bocht"
    Synoniemen: gis, gevaarlijk
  4. link
    gevaarlijk, riskant
    "Voor Europeanen is autorijden in Engeland een linke zaak."
  5. link
    sluw
    "Zakkenrollers zijn erg link."
  6. link
    gevaarlijk, riskant
    "Voor Europeanen is autorijden in Engeland een linke zaak."
  7. link
    sluw
    "Zakkenrollers zijn erg link."

Voorbeeldzinnen

  1. Link met raadpleegdienst (link view service)
  2. Link met zoekdienst (link discovery service)
  3. „Link met zoekdienst”-verzoek
  4. „LINK MET ZOEKDIENST”-OPERATIE
  5. „Link met zoekdienst”-verzoekparameter
  6. „Link met raadpleegdienst”-verzoekparameter
  7. „LINK MET RAADPLEEGDIENST”-OPERATIE
  8. „Link met raadpleegdienst”-verzoek
  9. de heer Ilmar LINK
  10. Growth-Link Overseas Co. Ltd. („GLO”);