Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. lik (de ~ | meervoud likken)
    plaats voor gevangenen; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; ondergrondse ruimte; gevangenis; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; inrichting waar men als straf verblijft; gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; (informeel) gevangenis
    "in de lik zitten"
    Synoniemen: gevangenis, bajes, gevang, gevangenhuis, kast, kerker, kot, nor, petoet, rijkshotel, strafgevangenis, strafinrichting, cachot, bak, pot
  2. lik (de ~ | meervoud likken)
    zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
    Synoniemen: kus, kukkel, smak, smok, zoen
  3. lik (de ~ | meervoud likken)
    haal v.d. tong
    "de hond gaf hem een lik"

Verwijzingen

Werkwoord

  1. lik is een vervoeging van likken