Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. last (de ~ | meervoud lasten)
    wat iem. hindert, ongemak
    "heb je er last van als ik rook?"
    Synoniemen: hinder, overlast
  2. last
    (van zedelijke en maatschappelijke krachten) de aanwezigheid van een belemmerend of sturend werkende kracht
    Synoniemen: druk, belasting, drang
  3. last
    bevel om iets te doen; bevel tot uitvoering van iets
    "op last van"
    Synoniemen: opdracht
  4. last (de ~ | meervoud lasten)
    vracht
    "op last van [de brandweer]"
    Synoniemen: lading, transport, vracht
  5. last
    iets wat een mens hindert
    "Ik heb erge last van hoofdpijn."
  6. last
    lading, vracht

Verwijzingen

Werkwoord

  1. last is een vervoeging van lassen

Voorbeeldzinnen

  1. Tom heeft last van financiële stress.
  2. Tot op zekere hoogte hebben we er allemaal last van.
  3. Ik wil je niet tot last zijn met mijn problemen.
  4. Behalve van een verstopte neus, heb ik ook last van verhoging.
  5. OPNAME VAN EEN LAST
  6. Spectrum van de nuttige last
  7. Jaarverslag en „one time, last time”
  8. Andere financieringskosten moeten als last worden opgenomen.
  9. de verdeling van de nuttige last
  10. de verdeling van de nuttige last.