Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. lading (de ~)
    hoeveelheid elektriciteit
    "elementaire lading"
  2. lading (de ~ | meervoud ladingen)
    munitie v.e. wapen
  3. lading (de ~)
    gevoelswaar v.e. tekst
    "een positieve/negatieve lading"
  4. lading (de ~ | meervoud ladingen)
    grote hoeveelheid
    "een lading [huiswerk]"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  5. lading (de ~ | meervoud ladingen)
    vracht
    "de vlag dekt de lading niet"
    Synoniemen: last, transport, vracht
  6. lading
    goederen die vervoerd worden
    "Dat schip vervoert een lading staal."
  7. lading
    een grote hoeveelheid
    "In de sneeuwstorm viel er een lading sneeuw."
  8. lading
    opeengehoopte elektriciteit
    "Door wrijving ontstaat ionisatie en hoopt zich lading op."
  9. lading
    de bijbetekenis die door een bepaald woord of een bepaalde zinsnede opgeroepen wordt
    "Het woord heks draagt een negatieve lading."
  10. lading
    de explosieve inhoud van granaten en mijnen, of de munitie van vuurwapens
    "De lading bestaat nu alleen nog maar uit conventionele granaten."

Voorbeeldzinnen

  1. LADING
  2. toegestane lading.
  3. Lading-„tracking”
  4. Afdekken van de lading
  5. Schade aan de lading
  6. Vastzetten van de lading
  7. Plaats van lading:…6.
  8. Vastzetten van de lading
  9. Haven van lading
  10. lading van de reactorkern;