Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kwast (de ~ | meervoud kwasten)
    verfgereedschap
    "met een kwast [de muur doen]"
  2. kwast (de ~ | meervoud kwasten)
    kwast, knoest in hout
    Synoniemen: noest, kwar, war, knoest
  3. kwast (de ~)
    drankje met citroen
    "een glas kwast"
    Synoniemen: citroenkwast
  4. kwast (de ~ | meervoud kwasten)
    iemand die overdrijft; raar iemand; iemand die zich aanstelt
    "een rare kwast"
    Synoniemen: aansteller, komediant, komediespeler, poseur, toneelspeler
  5. kwast
    een borstelachtige versiering
    "De rand van het gordijn was afgezet met kwastjes."
  6. kwast
    steel met borstel
    "De schilder maakte zijn kwasten schoon voordat hij ze opborg."
  7. kwast
    een vreemd persoon
    "Wat een rare kwast is hij toch!"
  8. kwast
    een onregelmatigheid in de nerf van een stuk hout ontstaan door het insluiten van een zijtak in het hout van de stam
    "Deze kwast maakt dit dure stuk buxus onbruikbaar voor het vervaardigen van een muziekinstrument."
  9. kwast
    zelfgemaakte limonade van uitgeperste citroen, water en suiker naar smaak
    "Op deze bloedhete dag was het heerlijk eens kwast te drinken."

Voorbeeldzinnen

  1. Bij de identificatiekleurtest om na te gaan of de stammen als witte eik kunnen worden aangemerkt, wordt op een schone en drooggemaakte plek kernhout van ten minste 5 cm diameter een 10 %-natriumnitrietoplossing gespoten of met de kwast aangebracht.