Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. kwaad
    kwaad; boos; kwaad, vinnig
    "kwaad worden"
    Synoniemen: boos, nijdig
  2. kwaad
    onaangenaam, ongunstig
    "Ik wil geen kwaad woord over hem horen."
  3. kwaad
    tegen de moraal
    "Hij had kwade bedoelingen."
  4. kwaad
    woedend, boos
    "Hij werd kwader en kwader totdat hij ten slotte ontplofte."

Zelfstandig naamwoord

  1. kwaad (het ~ | meervoud kwaden)
    iets met negatief effect; andere kant; negatief punt; negatief punt; teleurstelling; tegenvaller; nadeel; kant met schaduw; het slechte
    "zich van geen kwaad bewust zijn"
    Synoniemen: nadeel, keerzij, keerzijde, min, minpunt, tegenvaller, opdonder, schaduwkant, schaduwzijde
  2. kwaad
    kwade, boze
  3. kwaad
    iets dat tegen de moraal is
  4. kwaad
    nadeel
    "Even nadenken over de mogelijke effecten had wellicht ook geen kwaad gekund."
  5. kwaad
    ongeluk, pech

Verwijzingen

Werkwoord

  1. kwaad is een vervoeging van kwaaddoen
  2. kwaad is een vervoeging van kwaadspreken

Voorbeeldzinnen

  1. Zij werd kwaad.
  2. Ben je kwaad?
  3. Hij werd kwaad.
  4. Ben je kwaad?
  5. Mijn oom is kwaad.
  6. Wat maakte haar zo kwaad?
  7. De Britse regering was kwaad.
  8. Spreek niet kwaad van anderen.
  9. Ze dacht aan geen kwaad.
  10. Uw broer is erg kwaad.