Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kus (de ~ | meervoud kussen)
    zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
    "een vluchtige kus"
    Synoniemen: kukkel, smak, smok, lik, zoen
  2. kus
    het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
    "Zij gaf haar baby een kus op het voorhoofd."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. kus is een vervoeging van kussen

Voorbeeldzinnen

  1. Ik kus met open ogen.
  2. Hun kus was ontdekt door Charlotte.
  3. Tom gaf Mary een tedere kus.
  4. Ze gaf me plotseling een kus.
  5. Ze gaf me plotseling een kus.
  6. Hij gaf haar haar eerste kus.
  7. in het Ests:„[kus (äärepoolseima piirkonna nimi)] kasutamiseks ettenähtud litsents”
  8. in het Ests:„imporditollimaksudest vabastatud” ja „[kus (äärepoolseima piirkonna nimi)] kasutamiseks ettenähtud litsents”
  9. in het Tsjechisch „Živí býci s živou váhou nepřevyšující 300 kg na kus, na výkrm (Nařízení (ES) č.
  10. in het Slowaaks „Živé mladé býčky, ktorých živá hmotnosť nepresahuje 300 kg na kus, určené na výkrm [nariadenie (ES) č.