Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. kribbig
    geprikkeld; boos; ontstemd; kregel; geprikkeld; geprikkeld; kregel; geïrriteerd; geprikkeld; geprikkeld
    "ze doet altijd kribbig als ze gestoord wordt"
    Synoniemen: geïrriteerd, verstoord, gecrispeerd, geprikkeld, gramstorig, ibbel, iebel, korzelig, kregel, kregelig, kriegel, kriegelig, wrevelig, kriebelig
  2. kribbig
    zich onvriendelijk gedragend
    "Wat een kribbige reactie is dat nu weer! Slecht geslapen?"

Bijwoord

  1. kribbig
    onvriendelijk
    "Haar kribbig gedrag is schadelijk voor de sfeer in de winkel."