Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kopstuk (het ~ | meervoud kopstukken)
    koppig iemand; stijfkop; dom of koppig iemand; koppig persoon
    Synoniemen: stijfkop, keikop, koppigaard, steenezel, stijfhoofd
  2. kopstuk (het ~ | meervoud kopstukken)
    bovenste stuk van een samengesteld voorwerp
    Synoniemen: bovenstuk, bovendeel, bovengedeelte, bovenste
  3. kopstuk (het ~ | meervoud kopstukken)
    op de voorgrond tredende figuur
    "politieke kopstukken"
    Synoniemen: big boss, big shot, bobo, hotemetoot, hotemetotem, kanon, prominent, topman, voorman, VIP, bons

Voorbeeldzinnen

  1. Shell, binnen de groep van bitumenleveranciers, en KWS, binnen de groep van bitumenafnemers, dragen een bijzondere verantwoordelijkheid voor hun rol als aanstichter en kopstuk van het kartel.
  2. Voorts is de Commissie van oordeel dat er geen duidelijk kopstuk kan worden geïdentificeerd voor de inbreuk die de markt voor geëxtrudeerd speciaal grafiet trof.