Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kogel
    keihard schot met een bal
  2. kogel
    het uitwendige gewricht tussen pijp- of schuurbeen en kootbeen van een paard of rund
  3. kogel (de ~ | meervoud kogels)
    zware bal
  4. kogel
    dijspier van een slachtdier
  5. kogel (de ~ | meervoud kogels)
    rond of cilindervormig projectiel met spitse punt dat uit een vuurwapen wordt geschoten
    "een kogel afschieten/afvuren"
    Synoniemen: lood, scherp
  6. kogel
    loden projectiel gevuld met buskruit dat gebruikt wordt als munitie van een wapen
  7. kogel
    zware metalen bal die gebruikt wordt bij kogelstoten

Verwijzingen

Werkwoord

  1. kogel is een vervoeging van kogelen

Voorbeeldzinnen

  1. f Trekhaak zonder kogel
  2. Lagers: wrijving/kogel
  3. Kogel of kogelomlooplagerassen
  4. r straal van de kogel
  5. trekhaak zonder kogel (zie figuur 20f).
  6. De kogel mag slechts één inslagpunt veroorzaken.
  7. trekhaken zonder kogel (zie figuur 20f).
  8. trekhaak met kogel (zie figuur 20c),
  9. trekhaak met afneembare kogel (zie figuur 20e),
  10. trekhaak met kogel (zie figuur 20c),