Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. knuppel (de ~ | meervoud knuppels)
    knoeier
    "dat moet je ook niet door die knuppel laten doen"
    Synoniemen: kluns, dreutel, duts, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lomperd, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, sukkel, amateur, hobbezak
  2. knuppel (de ~ | meervoud knuppels)
    dikke ronde stok
    "de knuppel in het hoenderhok gooien"
  3. knuppel
    korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
    "De bende kwam de straat in met knuppels en kettingen."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. knuppel is een vervoeging van knuppelen

Voorbeeldzinnen

  1. Die knuppel is veel te groot.
  2. Argument met de knuppel, beroep op de stok