Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. knots (de ~ | meervoud knotsen)
    iem. die of iets dat groot is in zijn soort
    "een knots van een [huis]"
    Synoniemen: kanjer, baas, joekel, knaap, knoeper, knoert, kokkerd, reus, slagschip, lel
  2. knots (de ~ | meervoud knotsen)
    soort lange kegel
  3. knots
    vissersboot met een platte bodem

Bijvoeglijk naamwoord

  1. knots
    krankzinnig; knettergek; stapelgek
    Synoniemen: stapelgek, knetter, knettergek, knotsgek, stapel, stapelzot

Voorbeeldzinnen

  1. Noot: Onder „relevant” wordt in dit verband verstaan het baandeel dat wordt gebruikt in de tijdspanne dat de landingssnelheid afneemt van „hoge snelheid” tot ongeveer 60 knots.
  2. Opmerking: Onder „relevant” wordt in dit verband verstaan het baandeel dat wordt gebruikt in de tijdspanne dat de landingssnelheid afneemt van „hoge snelheid” tot ongeveer 60 knots.