Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. knap
    vaardig; handig; geroutineerd; bedreven; ver gekomen; zeer bedreven en ervaren; goed
    "een knappe prestatie"
    Synoniemen: bedreven, behendig, geverseerd, habiel, routineus, vaardig, vergevorderd, doorkneed
  2. knap
    goed, mooi
    "een knappe woning"
  3. knap
    (van personen en hun uiterlijk) welgevormd
    "een knappe jongen/man"
    Synoniemen: mooi, schoon, leuk
  4. knap
    behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; behoorlijk; van belang; aanzienlijk; van groot belang; beduidend; ingrijpend; flink; aanzienlijk
    "een knap eind"
    Synoniemen: aardig, beduidend, considerabel, fors, merkelijk, aanzienlijk, flink, groot, hoog, belangrijk, gevoelig, behoorlijk, heel
  5. knap
    schrander; intelligent
    "een knappe leerling"
    Synoniemen: bevattelijk, intelligent, snugger
  6. knap
    verstandig
  7. knap
    mooi, aantrekkelijk

Zelfstandig naamwoord

  1. knap
    een geluid alsof iets breekt
    "Toen ik viel hoorde ik een knap omdat ik op een tak viel die in twee├źn brak."

Bijwoord

  1. knap
    tamelijk, behoorlijk
    "Dat vraagstuk is knap lastig."

Voorbeeldzinnen

  1. Ze is erg knap.
  2. Dat meisje is knap.
  3. Vind je mij knap?
  4. Ze zei dat hij er knap uitzag.
  5. Ze schept op over hoe knap ze is.
  6. Het meisje dat in de bakkerij werkt is knap.