Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kern (de ~ | meervoud kernen)
    deeltje in een atoom; kern v.e. atoom
    Synoniemen: atoomkern, kerndeeltje
  2. kern
    kern v.d. cel; centraal lichaampje in een cel van waaruit de deling begint; kern
    Synoniemen: celkern, nucleus
  3. kern (de ~ | meervoud kernen)
    binnenste; centrum
    "daar zit een kern van waarheid in"
    Synoniemen: hart
  4. kern (de ~ | meervoud kernen)
    het voornaamste deel van een geheel
    "de kern van de zaak"
    Synoniemen: essentialia, essentie, grond, hoofdpunt, hoofdzaak, hypostase, kernpunt, kwintessens, zwaartepunt, wezen, primaat, substantie
  5. kern (meervoud kernen)
    vestiging, bewoonde plaats
    "In de Peel liggen drie kernen."
    Synoniemen: nederzetting, vestiging
  6. kern
    het meest belangrijke
    "De kern van het verhaal was dat er bezuinigd moest worden."
  7. kern
    het binnenste of midden
    "In de kern van een pruim zit een pit."
  8. kern
    het uit protonen en neutronen bestaande inwendige van een atoom
  9. kern
    het centrale deel van een elektromagneet

Voorbeeldzinnen

  1. Kern
  2. Ontlading uit de kern:
  3. met andere kern
  4. verrijkingen van de oorspronkelijke kern;
  5. Overbrenging terug naar de kern:
  6. Definitieve ontlading uit de kern:
  7. met een kern van staal
  8. met een kern van koper
  9. Verleent ondersteuning aan de kern- en raketprogramma’s.
  10. Veld 9.139: informatie over de kern