Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kat (de ~ | meervoud katten)
    viervoetig huisdier; klein huisdier
    "voor de kat z'n viool"
    Synoniemen: dakhaas, poes
  2. kat (de ~ | meervoud katten)
    snibbige vrouw
    "een valse kat"
    Synoniemen: kattekop, katje, kattenkop
  3. kat (de ~ | meervoud katten)
    korte of botte opmerking; onvriendelijk woord; hatelijke opmerking
    "een kat krijgen"
    Synoniemen: snauw, grauw, grom
  4. kat
    tot de katachtigen behorende soort die tam is geworden
  5. kat
    een grote pluizige windprotectiehoes voor microfoons

Voorbeeldzinnen

  1. Die kat is bruin.
  2. Ik heb geen kat.
  3. Dat is mijn kat.
  4. De kat bleef miauwen.
  5. De kat is zwart.
  6. Ze heeft een kat. Die kat is wit.
  7. Pak die kat niet op.
  8. We hebben een witte kat.
  9. Een kat heeft negen levens.
  10. De kat is heel lief.