Betekenis

Werkwoord

  1. kapotgaan
    breken
    "ons koffiezetapparaat is gisteren kapotgegaan"
    Synoniemen: stukgaan, begeven, bezwijken
  2. kapotgaan
    (van mensen) doodgaan
    "kapotgaan van/aan [de honger]"
    Synoniemen: expireren, insluimeren, ontslapen, overlijden, peigeren, verrekken, verscheiden, sterven, heengaan, versmachten, inslapen, creperen

Voorbeeldzinnen

  1. Om te voorkomen dat onderdelen die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken kapotgaan of afbreken, moeten de artikelen bestand zijn tegen de mechanische spanning waaraan zij tijdens het gebruik worden onderworpen.
  2. Om te voorkomen dat de hangwieg instort en onderdelen kapotgaan (van de standaard, het bevestigingselement of het ophangelement) waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan, moeten hangwiegen bestand zijn tegen de mechanische spanning waaraan zij tijdens de levensduur van het product worden blootgesteld.