Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kanjer (de ~ | meervoud kanjers)
    iem. die of iets dat groot is in zijn soort
    "een kanjer van een [huis]"
    Synoniemen: baas, joekel, knaap, knoeper, knoert, knots, kokkerd, reus, slagschip, lel
  2. kanjer
    lichamelijk aantrekkelijke man of vrouw
    Synoniemen: brok, knapperd, stoot, stuk, spetter
  3. kanjer (de ~ | meervoud kanjers)
    slim iemand; iem. die uitblinkt; iemand die ongelooflijke dingen kan; deskundige; toonaangevend iemand op bepaald gebied; iemand die ergens in uitmunt; iemand die ergens erg goed in is; op enige wijze opvallend iemand; iemand erg goed ergens in; iemand die ergens in uitblinkt; iemand die uitblinkt in bv. sport
    "een kanjer zijn"
    Synoniemen: uitblinker, aas, duivelskunstenaar, expert, grootmeester, kraan, raspaardje, kei, topper, crack
  4. kanjer
    iets bijzonder groots of opvallends
    "Voorbeeldzin met het kanjer erin."
  5. kanjer
    iemand die iets doet dat buitengewoon gevonden wordt
    "Je bent echt een kanjer, dat je dat voor elkaar gekregen hebt."