Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. kalf (het ~ | meervoud kalveren)
    loodrechte balk; dwarshout
    Synoniemen: dwarsbalk, dwarshout, kruisbalk
  2. kalf (het ~ | meervoud kalveren)
    het jong v.e. koe
    "vetgemeste kalveren"
  3. kalf
    jong van het rund en sommige andere zoogdieren
  4. kalf
    een horizontale dorpel of regel tussen deur en bovenlicht

Verwijzingen

Werkwoord

  1. kalf is een vervoeging van kalven

Voorbeeldzinnen

  1. „kalf”: een rund van ten hoogste zes maanden;
  2. 70 zoogkoeien met kalf, in totaal 110 stikstof-GVE's
  3. 75 zoogkoeien met kalf, in totaal 116 stikstof-GVE's
  4. Rund, kalf, varken, eenhoevigen (equidae), schaap en geit:
  5. 82 zoogkoeien met kalf, in totaal 134 stikstof-GVE's
  6. te lezen „De Veau d’Aveyron et du Ségala is een zwaar kalf.
  7. in plaats van „Het kalf heeft bij slachting een levend gewicht van 250 tot 420 kg.
  8. In het slachthuis krijgt het kalf een etiket met de naam van de veehouder.
  9. te lezen „Het kalf heeft bij slachting een levend gewicht van 250 tot 420 kg.
  10. in plaats van „De Veau d’Aveyron et du Ségala is een zwaar kalf.