Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. juist
    correct; juist; foutloos; correct
    "de juiste datum"
    Synoniemen: recht, correct, goed, zuiver
  2. juist
    werkelijkheidsgetrouw; met een hoog waarheidsgehalte; naar waarheid
    "de juiste toedracht"
    Synoniemen: waarheidsgetrouw, ongelogen, waar
  3. juist
    met de juiste eigenschappen
    "het juiste moment"
    Synoniemen: geschikt, adequaat, geƫigend, aangewezen, handig
  4. juist
    zoals het moet, waar

Bijwoord

  1. juist
    precies, juist
    Synoniemen: net
  2. juist
    als het voornaamste of als zeer gewichtig
    Synoniemen: vooral, speciaal

Voorbeeldzinnen

  1. Is mijn antwoord juist?
  2. Uw antwoord is juist.
  3. De prijs is juist.
  4. Ik heb nu juist veel problemen.
  5. Een ongeval deed zich juist voor.
  6. Dat is nu juist het probleem.
  7. Negen keer op tien raad ik juist.
  8. Heb je ooit de symptomen gehad dewelke juist werden beschreven?
  9. Het houdt juist op met regenen, laat ons dus vertrekken.
  10. De kerk is juist aan de overkant van de straat.