Betekenis

Werkwoord

  1. jatten
    ontvreemden; pikken; stelen; jatten; snel wegpakken; jatten; jatten
    "een fiets jatten"
    Synoniemen: stelen, dieven, gappen, jatmouzen, kaaien, klauwen, ontvreemden, ratsen, rausjen, snaaien, snuffelen, weggappen, kapen, pikken
  2. jatten
    iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    "Het bleek dat zijn mobieltje gejat was door Ronald."

Zelfstandig naamwoord

  1. jatten
    vingers
    "Blijf met je jatten van mijn eten af!"

Verwijzingen

Werkwoord

  1. jatten is een vervoeging van afjatten