Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. hoop
    iemand op je altijd kunt rekenen; iem. op wie men vertrouwen kan; iets dat bescherming biedt
    "hoop in bange dagen"
    Synoniemen: toeverlaat, toevlucht
  2. hoop (de ~)
    wens dat er iets gunstigs gebeurt
    "hoop krijgen"
  3. hoop
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, drom, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep
  4. hoop (de ~ | meervoud hopen)
    grote hoeveelheid
    "op een hoop"
    Synoniemen: bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  5. hoop (de ~ | meervoud hopen)
    drol; broodje; drol; drol; vaste ontlasting; hoeveelheid menselijke of dierlijke uitwerpselen
    "pas op, trap niet in die hoop"
    Synoniemen: bolus, bout, dreutel, drol, druk, hoopje
  6. hoop (de ~ | meervoud hopen)
    zijn voorkeur bepalen voor (een of meer uit een aantal personen of zaken)
    "een hoop [werk/geld]"
    Synoniemen: berg, hoopje, stapel, tas
  7. hoop
    stapel
    "Op de grote hoop gooien."
  8. hoop
    een grote hoeveelheid
    "Een hoop lawaai."
  9. hoop
    een verwachting van iets wenselijks
    "Hoop doet leven."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. hoop is een vervoeging van hopen

Voorbeeldzinnen

  1. Ik hoop van niet.
  2. Hij verliest nooit de hoop.
  3. Zolang ik adem, hoop ik.
  4. Ik hoop dat John komt.
  5. Goede hoop
  6. Kinderen hebben een hoop slaap nodig.
  7. Je hebt een hoop juwelen gekocht.
  8. Ik hoop ooit Egypte te kunnen bezoeken.
  9. Ik hoop dat het u zal bevallen.
  10. Ik moet morgen een hoop werk doen.