Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. hoog
    (van geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
    "een hoge stem"
  2. hoog
    behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; behoorlijk; van belang; aanzienlijk; van groot belang; beduidend; ingrijpend; flink; aanzienlijk
    "een hoog bedrag/gehalte/percentage/tempo"
    Synoniemen: aardig, beduidend, considerabel, fors, merkelijk, aanzienlijk, flink, groot, belangrijk, knap, gevoelig, behoorlijk, heel
  3. hoog
    reikend tot of zich bevindend op een punt dat naar verhouding ver boven een ander punt ligt
    "hoog 'in de lucht'/'aan de hemel'/'in de bergen'"
  4. hoog
    ver in rang; voornaam
    "hoog bezoek"
    Synoniemen: hooggeplaatst
  5. hoog
    fysiek ver boven iets anders
  6. hoog
    vergevorderd in een rangorde of volgorde
  7. hoog
    (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
  8. hoog
    met een groot aanzien

Verwijzingen

Werkwoord

  1. hoog is een vervoeging van hogen

Voorbeeldzinnen

  1. De prijzen zijn hoog.
  2. Mijn hartslag is hoog.
  3. Hij verdient een hoog salaris.
  4. De prijzen zijn hoog tegenwoordig.
  5. Het is hoog tijd bedtijd.
  6. Hoe hoog is die toren?
  7. Hoe hoog is de Fujiberg?
  8. Hoe hoog is die berg?
  9. De twee bergen zijn even hoog.
  10. Het niveau van de school is hoog.