Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. Heer (de ~)
    het Opperwezen, de Schepper, de Geest waardoor en waarin alles is, zoals Hij bij monotheïsten, vooral bij joden en christenen genoemd wordt
    "de Heer danken"
    Synoniemen: God, Jahweh, Jehova, Opperheer, de Schepper, heiligmaker, opperheer, schepper, Vader, Jahwe, Onze-Lieve-Heer
  2. heer (de ~ | meervoud heren)
    iem. die ergens regeert
    "je kunt geen twee heren dienen"
    Synoniemen: heerser, potentaat, soeverein
  3. heer
    hoofd van een rijk of vorstendom
    Synoniemen: vorst, dynast, hoogheid, landsheer, landsvorst, monarch, vorstin
  4. heer (de ~ | meervoud heren)
    bepaalde speelkaart; koning in het kaartspel
    "je had beter met de heer kunnen uitkomen"
    Synoniemen: koning
  5. heer
    bezitter van een heerlijkheid
  6. heer (de ~ | meervoud heren)
    volwassen mens van het mannelijk geslacht
    "de heren"
    Synoniemen: man, baas, basserool, broger, gabber, jongen, kerel, klant, knaap, manspersoon, meneer, pief, vent, gast, pik, mannetje, heerschap
  7. heer (de ~ | meervoud heren)
    beschaafd iemand; een echte heer; man van opvoeding en beschaving
    "een heer van stand"
    Synoniemen: gentleman, ridder
  8. heer
    man
    "Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert."
  9. heer
    deftig persoon
  10. heer
    belangrijk persoon
    "De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden."
  11. heer
    welgemanierd persoon, gentleman
  12. heer
    heerser
  13. heer
    persoon in wiens dienst men staat, meester
  14. heer
    bezitter van een heerlijkheid
  15. heer
    houder van zekere adellijke titel
  16. heer
    aanspreektitel voor mannelijke personen
  17. heer
    zekere kaart in het kaartspel
  18. heer
    '''heer''' (''onveranderlijk''); leger
  19. heer
    man
    "Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert."
  20. heer
    deftig persoon
  21. heer
    belangrijk persoon
    "De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden."
  22. heer
    welgemanierd persoon, gentleman
  23. heer
    heerser
  24. heer
    persoon in wiens dienst men staat, meester
  25. heer
    bezitter van een heerlijkheid
  26. heer
    houder van zekere adellijke titel
  27. heer
    aanspreektitel voor mannelijke personen
  28. heer
    zekere kaart in het kaartspel
  29. heer
    '''heer''' (''onveranderlijk''); leger

Voorbeeldzinnen

  1. Glimlachend begroette ze de heer Kato.
  2. Hij is zeker weten geen heer.
  3. Heer, leid ons", "Heer, geef ons richting
  4. De heer…/ Mevrouw… / Juffrouw
  5. Hij is een heer. Hij kan zoiets niet gezegd hebben.
  6. Ik zoek de heer Smith
  7. De Heer is mijn licht
  8. Heilige Heer Jezus, geef hun rust
  9. In het jaar van de Heer
  10. Uit de diepten heb ik U aangeroepen, Heer