Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. hard
    hard; stevig, stug
    "een hard bed/kussen/potlood"
    Synoniemen: onzacht
  2. hard
    met fysieke kracht
    "hard waaien/regenen/vriezen/branden"
  3. hard
    erg, geweldig
    "hard vriezen/branden"
    Synoniemen: hevig, sterk, zwaar, ernstig, fel, stevig, erg, heftig, krachtig, straf, vurig, vet
  4. hard
    hard en helder; van geluid
    "harde muziek/ rock"
    Synoniemen: luid
  5. hard
    wreed; van karakter
    "iemand/iets hard aanpakken"
    Synoniemen: hardvochtig
  6. hard
    hel; van kleur; de zintuigen sterk treffend
    "hard(e) licht/kleuren"
    Synoniemen: fel, hel

Verwijzingen

Werkwoord

  1. hard is een vervoeging van harden

Voorbeeldzinnen

  1. Je moet hard leren.
  2. Je werkt te hard.
  3. Goede studenten studeren hard.
  4. Je werkt hard.
  5. Nancy studeerde hard.
  6. Ze werkte hard.
  7. Je moet heel hard werken.
  8. Ge moet alleen hard werken.
  9. De meeste studenten studeren hard.
  10. Het regende hard de hele dag door.